Fritzlar-Langensalza1942-1945 Junkers

1995: EEN HALVE EEUW DOODGEZWEGEN, dwangarbeiders in Duitsland wachten op gebaar Nederlandse overheid.

Artikel van Maurice Wilbrink, gepubliceerd op zaterdag 7 mei 1994 in het Leidsch Dagblad.

De honderdduizenden Nederlanders die tijdens de oorlog in Duitsland te werk werden gesteld, hadden bij terugkeer in 1945 geen verweer tegen de beschuldiging dat ze de vijand hadden geholpen. De publieke opinie was niet geïnteresseerd in hun verhaal, en zo zou het tientallen jaren lang blijven. Zelfs de sterftecijfers onder dwangarbeiders werden gebagatelliseerd. Een hele bevolkingsgroep veroordeeld tot het verdomhoekje van de geschiedenis..

Hij kon naar Duitsland! Eindelijk zou hij ook wat van de wereld zien, hij, Gerben van der Berg, die maar één keer in zijn hele jeugd buiten de provincie Friesland was geweest. Dat was alweer lang geleden, in 1933. Bij zijn vader achterop de fiets, over de Afsluitdijk die toen net klaar was.
Toen hij in de zomer van 1942 de oproep kreeg voor de Arbeidsinzet in Duitsland, twijfelde de 19-jarige bakkersknecht geen moment. “Mijn broer en mijn zwager waren aan het begin van de oorlog militair geweest, in Haarlem en aan de Grebbelinie. Dus die hadden al het een en ander gezien.” Zijn afscheidstournee door Friesland, langs ooms, tantes, opa’s en oma’s, bracht hem langs verschillende boerderijen waar hij gemakkelijk had kunnen onderduiken. Maar niemand die zelfs maar op die gedachte kwam.
Gerben van der Berg was grenzeloos naïef. Had geen enkel politiek bewustzijn, geen flauw benul van het moorddadige karakter van het nazi-regime. Had niks meegemaakt. Leeuwarden was in mei 1940 ingenomen zonder dat er een schot werd gelost. En Gerben van der Berg was opportunistisch. In Duitsland kon je geld verdienen, het was eens wat anders, en het zou toch maar voor een jaar zijn? Hij ging en het enige wat hem oprecht speet, was dat hij zijn mooie bakkersuniform niet hoefde mee te nemen, want ze zouden hem omscholen tot metaalarbeider.
Het is na meer dan vijftig jaar nog steeds een verbijsterend verhaal, de oorlogsgeschiedenis van de nu 71-jarige Fries (1994). Verbijsterend vooral vanwege de hardnekkigheid waarmee hij onwetend bleef over de duisternis waarin Europa tot het voorjaar van 1945 werd gehuld. Gerben van der Berg kwam uiteindelijk terecht in Bernburg, middenin het land dat later DDR zou heten. Hij mocht na een week metaal draaien toch doen wat hij had geleerd: brood bakken.
In Bernburg was het hard werken en een beetje op je woorden passen. Er was genoeg te eten, zijn baas was vriendelijk en het huis waar hij bij een familie inwoonde was redelijk gerieflijk. Gerben zou in Bernburg zijn vrouw leren kennen. Echt oorlog werd het voor Van der Berg eigenlijk pas in april 1945, toen de geallieerden de stad voor het eerst (en voor het laatst) bombardeerden.
Maar hoe zat het dan met die groene geblindeerde bussen waarin mensen werden vervoerd naar het Heilanstalt, de psychiatrische kliniek? Vroeg hij zich nooit af waarom je die mensen nooit meer terugzag? Het enige dat opviel aan het Heilanstalt was dat het er stonk, vertelt hij. En wat gebeurde er met de joden uit de straat waar zijn latere echtgenote woonde? Ze werden ’s-nachts weggehaald, hun huizen en winkels waren geplunderd en ze kwamen nooit meer terug. Het was geen gespreksonderwerp in Bernburg. Trouwens, wat voor conclusies trok Gerben uit de verschillen tussen de Duitse nazi-propaganda en de uitzendingen van Radio Oranje die hij stiekem beluisterde via de radio? Hij trok geen conclusies, zegt hij.
En hoe onderging hij de dodenmarsen die helemaal aan het einde van de oorlog ook door Bernburg voerden: duizenden uitgeputte concentratiekampgevangenen die te voet door het land werden gejaagd in een ultieme poging de jodenvernietiging te kunnen afronden voordat de oprukkende geallieerden de oorlog zouden beëindigen?

KOELE ONTVANGST
Van der Berg wist niet wat er gebeurde, hij wilde het niet weten. En voor een deel kon hij de verschrikkelijke waarheid ook niet doorgronden. En hij begreep er ook niets van dat de ontvangst bij terugkeer in Nederland zo koel was. Bij overheidsinstanties kreeg hij het verwijt te horen dat hij zich niet had verzet tegen de Duitsers. Waarom was hij indertijd niet ondergedoken, wierpen ze hem voor de voeten.
Toen Van der Berg door de Duitsers werd opgeroepen, was de Arbeitseinsatz nog een vrij nieuw fenomeen. Later in de oorlog zouden de Duitsers systematisch Nederland uitkammen op arbeid die in de Duitse oorlogseconomie kon worden ingezet. En uiteindelijk zouden ruim een half miljoen Nederlanders dwangarbeid in Duitsland verrichten. Ofwel liefst een vierde deel van de mannelijke beroepsbevolking.
Waar had dat half miljoen moeten onderduiken? Was er nog plaats geweest in de spelonken waar andere onderduikers - joden, communisten, verzetslui, arbeiders die de gang naar Duitsland ontweken – zich al verborgen? Of mag die vraag niet zo worden gesteld? Van der Berg stelt hem wel. En hij vraagt zich na al die jaren af of de thuisblijvers het exclusieve morele recht mochten claimen een (negatief) oordeel te vellen over de mannen die naar Duitsland moesten.
Van der Berg heeft zich nooit geschaamd voor zijn keuze. Hij kwam uit een gereformeerd ARP-milieu, waar wet en orde hoof genoteerd stonden. Waar je nooit twijfelde aan het opgelegde gezag. Hij heeft zich dientengevolge ook nooit schuldig gevoeld. Van der Berg is ook realistisch genoeg om zich niet als slachtoffer van de geschiedenis te presenteren. “Ik was een te werk gestelde, geen dwangarbeider.”

SCHULDGEVOEL
Duizenden anderen, tienduizenden wellicht, gingen na de oorlog wel degelijk gebukt onder een schuldgevoel dat hen grotendeels van buitenaf werd opgedrongen. Dwangarbeiders werden vaak over één kam geschoren met Nederlanders die vrijwillig hadden meegevochten met het Duitse leger. De dwangarbeiders kregen veelal een zeer denigrerende behandeling als ze werden ondervraagd door de politieke opsporingsdienst. Mannen die in de fuik van een razzia waren gelopen en in Duitsland als arbeidsslaven grote lichamelijke en geestelijke terreur hadden moeten doorstaan, zwegen noodgedwongen tientallen jaren lang over hun ervaringen.
De door het Rijk aangestelde schrijver van de officiële geschiedenis over de bezettingsjaren, Loe de Jong, was niet geïnteresseerd in de verhalen van de dwangarbeiders. Dat liet hij over aan zijn medewerker Sijes, die er weliswaar een boek over schreef, maar nauwelijks dwangarbeiders zelf aan het woord liet.
De voorzitter van de Vereniging van Dwangarbeiders Nederland, Aart Pontier, zegt: ”De mannen die terugkeerden, hadden destijds natuurlijk erg weinig verweer tegen de beschuldiging dat we de Duitsers hadden geholpen. Je moet bedenken dat in de jaren na de oorlog het verzet enorm werd opgehemeld. Heel veel aandacht werd opgeslokt door de ervaringen van de overlevenden uit de concentratiekampen. En in Nederland was er een hongerwinter geweest.“
De afschuwelijke ontberingen die vele dwangarbeiders hadden moeten doorstaan, werden door de overheid en het publiek grotendeels genegeerd. De dwangarbeiders hadden – op enkele interessante uitzonderingen na – nou eenmaal geen heldendaden verricht.

GEZONDHEID
Het algemene oordeel over de arbeid in Duitsland werd en wordt daarbij nog een gecompliceerd door de uitersten die de groep dwangarbeiders kende: er stierven Nederlanders in concentratiekampen omdat ze zich ook in Duitsland verzetten tegen gedwongen tewerkstelling, en er kwamen mannen terug in goede gezondheid “omdat we dicht bij het brood” zaten, zoals bakker Gerben van der Berg het uitdrukt.
Maar Van der Berg wil ook iets anders kwijt. “Er wordt ons verweten dat we de Duitse oorlogsinspanning steunden. Maat de Nederlandse overheid steunde de Arbeitseinsatz. Bij de oproep, de keuring, de administratie, de paspoort uitreiking en het transport per trein naar de grens kwam geen Duitser te pas”. En hoe zat het trouwens met al die Nederlanders die Duitse opdrachten uitvoerden? Ambtenaren, werfarbeiders, werknemers in melkfabrieken – wie werkte er nou eigenlijk niet in dienst van de Duitsers? Die mensen waren evenmin helden, maar kwamen in ieder geval niet in het verdomhoekje van de geschiedenis te staan.
De stille verdachtmaking van de grote groep ex-dwangarbeiders en de desinteresse voor hun lot, leidde er na de oorlog zelfs toe dar de sterftecijfers onder Nederlanders tijdens hun verblijf in Duitsland bewust werden gebagatelliseerd.
Historicus Sijes, verbonden aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), hield het erop dat achtduizend Nederlanders in de Arbeitseinsatz waren omgekomen. Dat cijfer werd ook decennia lang aangehouden door het Rode Kruis en door de Nederlandse Oorlogsgravenstichting. Aart Pontier van de Vereniging van Dwangarbeiders: “Wij hebben jarenlang verkondigd dat die schattingen veel te laag waren. Zelf kwamen we uit op dertig- à vijfendertigduizend.” Pas zeer recent heeft het Rode Kruis de schatting overgenomen.

MOEIZAAM
Van der Berg begon in 1990 op eigen houtje gegevens te verzamelen over in Duitsland omgekomen dwangarbeiders – hij wilde weten of hun dood was geadministreerd en waar ze een graf hebben gekregen. Hij besloot hiertoe, nadat hij als rapporteur voor de Wet Uitkering Burger Oorlogsgetroffenen steeds meer in aanraking kwam met vrouwen die vertelden over een vermiste echtgenoot.
Het werd een moeizame speurtocht. De oorlogsgravenstichting weigerde in te gaan op een verzoek om gegevens over de erebegraafplaats in Frankfurt, waar Nederlanders liggen. “Het is geen gebruik om kopieën van registers van Erevelden aan derden te verstrekken”, schreef de stichting eind 1993.
Het Nederlandse Rode Kruis was al evenmin erg behulpzaam. Het rekende vijftig gulden per persoon waarover gegevens worden gevraagd. Op een gericht verzoek van Van der Berg kreeg hij als reactie: “Indien u zeven maanden na dagtekening van dit schrijven nog geen bericht heeft ontvangen, verzoek ik u zich telefonisch met mijn bureau in verbinding te stellen.”
Toch kwam hij in contact met de International Tracking Service van het Rode Kruis in het Duitse plaatsje Arolsen. Het Internationale Rode Kruis beheert daar een gigantisch archief met gegevens over veertien miljoen mensen die tijdens de oorlog in Duitsland stierven: concentratiekampgevangenen, krijgsgevangenen en dwangarbeiders. Maar ook daar is geen algemene informatie verkrijgbaar en wordt slechts per geval gezocht, nadat naam en geboortedatum zijn verstrekt. Het duurt dan ook nog eens maanden voordat er antwoord komt.
Meer medewerking trof Van der Berg in Duitsland en vooral in de voormalige DDR. De burgemeester van Saarbrücken stuurde zelfs polaroidfoto’s terug van graven waar Nederlanders liggen, compleet met de grafnummers. Inmiddels heeft hij zevenduizend graven gelokaliseerd, verspreid over honderden plaatsen. Op de werkkamer van Van der Berg liggen dikke mappen met Duitse registraties, die van een soms onwaarschijnlijke gründlichkeit zijn. Zo werden tot letterlijk in de laatste oorlogsdagen – eind april, begin mei 1945 – in zwaar verwoeste steden voorgedrukte doodsverklaringen ingevuld met voor zover bekend de personalia van de omgekomen dwangarbeider, de doodsoorzaak (bombardementen, ziekten), tijdstip van sterfte, graf. Zelfs in een concentratiekamp als Buchenwald werd dit tot de laatste snik bijgehouden.

GEBAAR
Veel oud-dwangarbeiders wachten nu, na een halve eeuw, op een gebaar van de overheid waarmee hen een vorm van eerherstel wordt verleend. Hun vereniging heeft tevergeefs geprobeerd een deel te krijgen uit miljoenenfondsen, die werden gevormd door grote Duitse ondernemingen als schadevergoeding aan mensen die daar tijdens de oorlog werden gedwongen te werken.
Curieus is dat juist het voormalig verzet, vertegenwoordigd in de stichting 1940-1945, wel een bijdrage kreeg uit de miljoenen die de firma Daimler-Benz beschikbaar stelde voor oud-dwangarbeiders. En het was nota bene het Rode Kruis, waarmee de ex-dwangarbeiders zo’n moeizame relatie hebben, dat in Nederland de Daimler-Benz-gelden verdeelde.
Aart Pontier gokt er nu op dat er in ieder geval wat geld komt voor het oprichten van een monument voor de gesneuvelde dwangarbeiders. Pontier: “We vinden dat die vijfendertigduizend slachtoffers een stem moeten hebben, ze mogen niet worden vergeten.”
Een eigen monument heeft nog een voordeel. Volgend jaar zal uitgebreid worden herdacht dat het precies vijftig jaar geleden is dat Nederland werd bevrijd (1995).
Nu al krijgt de Vereniging van Dwangarbeiders reacties van gemeenten die haar willen uitsluiten van officiële plechtigheden. De motivatie: de dwangarbeiders hebben niet actief meegedaan aan de bevrijding.














Update: 18-7-2019abcd
GVG
arbeitsinzet1942-1945junkers