Fritzlar-Langensalza1942-1945 Junkers

De tewerkstelling

Ruim een half miljoen Nederlandse dwangarbeiders verbleven tussen 1939 en 1945 in Duitsland en de door de Duitsers bezette gebieden.
De eerste dwangarbeiders gingen in 1941 richting Duitsland, op grond van een verordening die rijkscommissaris Seyss-Inquart op 28 februari 1941 afkondigde. Aanvankelijk werden vooral werklozen verplicht tot arbeid in nazi-Duitsland en de bezette gebieden. Dat gebeurde via de Nederlandse arbeidsbureaus, die over allerlei dwangmiddelen beschikten.
Nadat eind 1941 door geallieerde successen de Duitse kansen keerden, werd het beleid gewelddadiger. Bedrijven werden uitgekamd, jonge mannen naar geboortejaar opgeroepen en ten slotte hadden razzia's en klopjachten plaats.
Als gevolg van slechte huisvesting, gezondheidsproblemen, bedrijfsongevallen en bombardementen kwamen, naar schatting van het Rode Kruis, 30.000 tewerkgestelde landgenoten om het leven.
Veel van deze mensen ondergingen ondenkbaar leed in een "Arbeitserziehungslager", concentratiekampen voor dwangarbeiders die zich hadden verzet tegen de dwangarbeid.
Een onbekend aantal kwam terug met blijvend lichamelijk of psychisch letsel. Hulp kregen ze niet, ze moesten het zelf maar uitzoeken.

De dwangarbeider na de oorlog

Levenslang duurde de frustratie en het gevoel nooit begrepen te zijn bij de dwangarbeiders.
Zij hadden gewerkt in Duitsland en dat hebben ze geweten. Van de ruim half miljoen Nederlanders, die als slaven naar Duitsland zijn gedeporteerd zijn er minstens dertigduizend omgekomen.
Door ondervoeding, ziekte, bombardementen of doodgeslagen door de Duitsers. Maar eerder al, in 1936 had de regering Colijn besloten, dat het werken in de Duitse oorlogsindustrie eigenlijk wel een goede manier was om de werkloosheid in Nederland te verminderen. En dus kregen de arbeidsbureaus opdracht om druk uit te oefenen op de werklozen, om te gaan werken in Duitsland. Het drukmiddel was eenvoudig: wie weigerde verloor het recht op
steun (11gulden steun per week voor een gezin met kinderen). In de oorlog werd het nog erger.
Op verzoek van de Duitse instanties leverden de meeste bedrijven hun jongste werknemers aan de bezetter uit. Begin 1943 werden hele jaargangen opgeroepen voor het werk in Duitsland en eind 1944 werden alle overgebleven jongens en mannen tot 45 jaar door middel van razzia's van de straat en uit de huizen gehaald. Zij werden door de NS afgevoerd naar Duitsland. Een gedenkmonument hebben ze op de stations waar ze afgevoerd zijn (waaronder Utrecht) nooit gekregen. 

Het systeem van tewerkstelling had een wrange schijn van eerlijkheid: de slaven kregen loon, waar van alles af moest zoals ziekenfonds, eten, onderdak, rokertjes, postzegels, postpapier, schoeisel en het Duitse arbeidsfront. Het geld dat over bleef stuurden ze per postwissel naar hun gezin dat in Nederland was achtergebleven.
Voor dat loon moesten ze aanvankelijk zestig uur per week werken, later werd dat uitgebreid naar 84 uur per week of meer. De oorlogsomstandigheden werden in Duitsland steeds zwaarder, voedsel werd steeds schaarser en er was van alles niet voldoende. De arbeiders leden daaronder. Evenals onder de luizen in de barakken, de zwerende voeten, roodvonk, difterie, vlektyfus, tuberculose en hersenvliesontsteking. Wie niet meer kon werken, de boel saboteerde of de kantjes er af liep, werd zwaar gestraft. Zij werden naar een Gestapo “heropvoedingskamp” gebracht, waar ze na zes weken tot op het bot vermagerden, half doodgeranseld en weer terug aan het werk moesten. De onverbeterlijke gevallen gingen rechtstreeks naar een concentratiekamp. Die zagen ze in de fabriek nooit meer terug. Na het einde van de oorlog keerden de overlevenden terug naar Nederland. Te voet, dikwijls soms pas na maanden herstel in een geallieerd hospitaal. De meeste hadden geen schoeisel meer, ze droegen de kleren die ze al maanden aan hadden. Smerig, ziek en vermagerd werden ze in Nederland als zwervers ‘onthaald’. De douane nam hun het gespaarde Duitse geld af, koffers met schamele resten kleren moesten worden ingeleverd. Wie een Duitse militaire jas droeg, werd als SS'er beschouwd. Even is zelfs overwogen om de teruggekeerde dwangarbeiders, aangeduid met de scheldnaam “Duitsland-gangers” of “collaborateurs” te interneren, om ze te laten wennen aan de Nederlandse arbeidsmoraal. Eenmaal thuis leerden ze wel om hun mond te houden over hun ervaringen: hun ‘arbeidsinzet’ in Duitsland was voor de Nederlandse werkgevers maar al te vaak een reden om hen niet aan te nemen. Wie niet meer kon werken als gevolg van tbc, invaliditeit of hongeroedeem, werd vaak aan zijn lot overgelaten. De officiële instanties bemoeiden zich nauwelijks met hen: het Rode Kruis marginaal, de stichting ‘40-45 kwam pas veel later op gang. Ze moesten het zelf maar uitzoeken. Nog steeds beklagen de voormalige dwangarbeiders hun lot, dat hen zowel in Duitsland als in Nederland slechts ongeluk, frustratie, verdriet en verbittering heeft gebracht. Lang hebben ze zich onbegrepen gevoeld, vergeefs om erkenning gevraagd. Zij kregen hun waardigheid niet terug. Men erkende niet dat zij gedwongen werden om buiten de landsgrenzen te werken en dat vele ex-dwangarbeiders daar aan de willekeur van de nazi's waren overgeleverd! De meesten zwegen en leefden voort met hun trauma’s.
Ze namen de verhalen mee in het graf.


<img src="junkers.jpg" alt="Fritzlar"




Utrechtse dwangarbeiders die nog niet naar huis kunnen en worden verzameld in Eindhoven 23-5-1945

    


Terug Knop


 
 26-8-2021
GVG
arbeidsinzet1942-1945junkers